Archief

Heeft mijn ex recht op (een deel van) mijn huis ?

Een man en vrouw zijn getrouwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden.

Daarin is vastgelegd dat er geen enkele gemeenschap van goederen zal bestaan, waardoor zijn huis van hem is en blijft. Notarissen noemen dat ook wel uitsluiting.
Ook is afgesproken dat de echtelieden periodiek hun (overgespaarde) inkomen zullen verrekenen. In het jargon is dat een Periodiek Verrekenbeding.
Duidelijke afspraken en een zakelijke benadering van de financiën van een relatie. Zou je denken.
Zoals dat heet in de zakenwereld als ondernemers uit elkaar gaan “brengt de relatie niet hetgeen partijen verwacht hadden”. Ze gaan scheiden.
Maar nu komt de vraag op of de vrouw recht heeft op een deel van de (over)waarde van de woning op grond van het Periodieke Verrekenbeding.
Het Hof in ’s-Hertogenbosch oordeelt in juli 2015 dat een deel van deze (over)waarde inderdaad door de man aan de vrouw moet worden betaald.

Niet omdat zij mede-eigenaar is geworden (daar zorgde de uitsluiting in de huwelijkse voorwaarden wel voor) maar omdat er op de hypotheekschuld is afgelost met geld dat hoorde tot het “overgespaarde inkomen” dat verrekend had moeten worden tussen man en vrouw.

Dat “spaargeld” is dus eigenlijk in het huis gestoken en daarom heeft de vrouw recht op een deel van de waarde van het huis.

En hoe moet dat berekend worden ? Daarover zijn de rechters ook duidelijk. Alle aflossingen moeten bij elkaar opgeteld worden (X). Vervolgens moet de waarde van de woning ten tijde van de aankoop worden vastgesteld (Y) en de huidige waarde (Z). De vrouw heeft recht op x/y deel van z.

Is de woning in waarde gestegen, (Z is hoger dan Y) dan heeft de vrouw een voordeel nu het “spaargeld” gebruikt is om af te lossen. Maar is Z lager, dan was ze beter afgeweest als het “spaargeld” echt op een spaarrekening was bijgeschreven.

Rekent u het maar eens uit.


Partneralimentatie ex-samenwoners gelijk aan ex-gehuwden


De staatssecretaris van Financiën heeft goedgekeurd dat betaling van partneralimentatie aan een ex-partner waarmee de alimentatiebetaler ongehuwd samenwoonde, fiscaal hetzelfde wordt behandeld als een alimentatiebetaling aan een ex-echtgenote. Voorwaarde is wel dat de hoogte van de partneralimentatie de zogenoemde Tremanormen niet overschrijdt.

Onderhoudsverplichting
Ex-echtgenoten zijn wettelijk verplicht elkaar te onderhouden. De partner die geen of nauwelijks inkomen geeft, kan partneralimentatie vragen. Dit recht geldt alleen als er sprake is geweest van een huwelijk of van een geregistreerd partnerschap. Na samenwonen hebben ex-partners geen onderhoudsplicht ten opzichte van elkaar, zij hebben immers geen juridische band met elkaar op grond van de wet. Deze onderhoudsverplichting kan wel worden overeengekomen in het samenlevingscontract of bij beëindiging van de relatie.

Fiscale behandeling partneralimentatie ex-gehuwdenOntvangen partneralimentatie is belast als periodieke uitkering als deze ontvangen is op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting op grond van artikel 3.101, lid 1, letter b Wet IB 2001. De betaalde alimentatie is vervolgens op dezelfde grond aftrekbaar voor de alimentatiebetaler (art. 6.3, lid 1, letter a Wet IB 2001).

Vanuit het familierecht bestaan twee verplichtingen:
1. de zorgplicht tijdens het huwelijk;
2. de alimentatieplicht.

Art. 6.3, lid 1, letter a Wet IB 2001 is niet van toepassing op samenwoners aangezien er niet vanuit het familierecht een verplichting ontstaat tot betaling van alimentatie.

Fiscale behandeling partneralimentatie ex-samenwoners
Partneralimentatie tussen ongehuwd samenwonenden wordt voor de inkomstenbelasting toch hetzelfde behandeld als alimentatie tussen voormalige echtgenoten. De uitkeringen zijn aftrekbaar als onderhoudsverplichting voor zover sprake is van in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud (art. 6.3, lid 1, letter f Wet IB 2001). De uitkeringen zijn dan belast bij de ontvangende ex-partner (art. 3.101, lid 1, letter c Wet IB 2001).

Partneralimentatie en schenkbelasting
Bij uitkeringen die als verplichting voortvloeien uit het familierecht is geen sprake van een schenking. Voor zover de uitkering niet kan worden geacht als verplichting voort te vloeien uit het familierecht kan wel sprake zijn van een belaste schenking. Voor de schenkbelasting is partneralimentatie tussen ongehuwd samenwonenden aldus een schenking, maar deze is vrijgesteld voor zover sprake is van het voldoen aan een natuurlijke verbintenis (art. 33, 12°, van de Successiewet 1956). De Staatsecretaris geeft aan dat de begrippen natuurlijke verbintenis en dringende morele verplichting inhoudelijk gelijk zijn en dienen in dit kader fiscaal ook gelijk te worden behandeld. Het gaat om de natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

Natuurlijke verbintenis
Of sprake is van een natuurlijke verbintenis (ook wel een dringende morele verplichting) die leidt tot een onderhoudsuitkering, moet worden getoetst aan de hand van de op het moment van de toekenning van de alimentatie bestaande maatschappelijke opvattingen. De expertgroep Alimentatienormen van de rechterlijke macht heeft hiertoe de zogenoemde Tremanormen (Rapport alimentatienormen) ontwikkeld op basis waarvan dit kan worden berekend. De Staatssecretaris keurt goed dat deze normen ook worden toegepast op ongehuwd samenwonenden. Voor zover het overeengekomen alimentatiebedrag de Tremanormen niet overschrijdt, wordt de alimentatie geacht te strekken tot het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. Deze behandeling geldt zowel voor de inkomstenbelasting als voor de schenkbelasting.

Conclusie
De Staatssecretaris keurt goed dat de Belastingdienst voor de beoordeling van de aanvaardbare hoogte van partneralimentatie van ongehuwd samenwonenden voor de inkomstenbelasting en de schenkbelasting aansluit bij de Tremanormen. Zolang de overeenkomen partneralimentatie dus op basis van de Tremanormen is vastgesteld, zal de fiscale behandeling van ongehuwd samenwonenden gelijk zijn aan die van gehuwden.

Tips
• De goedkeuring van de Staatssecretaris behelst alleen de normale afwikkeling van partneralimentatie. Voor afkoop van partneralimentatie bestaat nog steeds een ongelijke behandeling; op grond van een arrest van de Hoge Raad is deze ongelijkheid gerechtvaardigd (HR 14-11-2008, V-N 2008/55.5).
• Ongehuwd samenwonenden mogen een partneralimentatie overeen komen als zij uit elkaar gaan, maar zijn hier niet toe verplicht tenzij dit in het samenlevingscontract is overeengekomen.


Door een ander betaalde hypotheekrente toch aftrekbaar

Op 14 juli 2015 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant geoordeeld in een zaak van twee samenwonende broers, welke geen fiscaal partner zijn, waarbij één broer de volledige hypotheekrente heeft betaald. Volgens de rechtbank kan de andere broer toch hypotheekrente aftrekken als aan een aantal voorwaarden is voldaan.

Tips
• Indien meerdere personen samen een eigen woning als hoofdverblijf hebben en geen fiscaal partner van elkaar zijn, moet elke bewoner zijn eigen deel van het eigenwoningforfait aangeven, dat overeenkomt met zijn aandeel in de eigendom van de woning.
• Sinds 1 januari 2011 staat het basisbegrip fiscaal partner geregeld in de Algemene wet inzake rijksbelasting (artikel 5a) en is er geen jaarlijkse keuze meer mogelijk voor de belastingplichtige om al dan niet te opteren voor het fiscale partnerschap.